Ondermijning aanpakken: regie, uitvoering en samenhang

De bestrijding van georganiseerde criminaliteit valt primair onder de regie van het Openbaar Ministerie. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het tegengaan van de schadelijke maatschappelijke effecten van deze criminaliteit. Deze kennispagina biedt gemeenten concrete handelingsperspectieven om zowel praktisch als beleidsmatig invulling te geven aan een effectieve lokale aanpak van ondermijnende criminaliteit.

De beschreven aanpakperspectieven ondersteunen beleidsadviseurs, coördinatoren ondermijning en andere betrokken ambtenaren bij het bestuurlijk inrichten, evalueren en borgen van het gemeentelijk instrumentarium. De aanpak van ondermijnende criminaliteit is een organisatiebrede opgave die vraagt om brede betrokkenheid binnen de gemeentelijke organisatie én bij externe partners.

Bestuurlijk valt de regie doorgaans onder de portefeuille Openbare Orde en Veiligheid van de burgemeester. Operationeel ligt deze verantwoordelijkheid veelal bij de afdeling of het team Veiligheid/OOV. In grotere gemeenten is deze rol vaak belegd bij een programmamanager of regisseur Ondermijning, terwijl in kleinere gemeenten deze functie meestal wordt gecombineerd met die van beleidsadviseur veiligheid. Cruciaal voor een effectieve aanpak is dat de regisseur, programmamanager of beleidsadviseur direct kan schakelen met de burgemeester, relevante portefeuillehouders en de gemeentesecretaris. Het is daarbij raadzaam om expliciet capaciteit vrij te maken en te kiezen voor een regiefunctie die organisatie-overstijgend is gepositioneerd en niet uitsluitend binnen het veiligheidsdomein valt.

Een weerbare overheid begint bij de eigen organisatie. Dit betekent dat ondermijnende criminaliteit structureel wordt geagendeerd binnen het directie- en managementteam, dat er een duidelijke bestuurlijke portefeuillehouder is aangewezen en dat de gemeenteraad tijdig en periodiek wordt betrokken. Politiek-bestuurlijke steun versterkt de regierol van de gemeente aanzienlijk en is een belangrijke randvoorwaarde voor een duurzame aanpak.

Het invoeren van een effectieve sturing op ondermijning vraagt om een gestructureerde aanpak met een lange adem. Per perspectief krijg je inzicht in de wijze waarop de gemeentelijke aanpak van ondermijnende criminaliteit effectief kan worden ingericht en uitgevoerd.

Inhoudsopgave ondermijning aanpakken

Ondermijning aanpakken vraagt om samenhang en overzicht. Hieronder vind je de belangrijkste bouwstenen die richting geven aan een effectieve aanpak in de praktijk.

Positionering en richting

Positionering

Een effectieve aanpak van ondermijnende criminaliteit begint bij een duidelijke positionering en heldere richting. Dit vraagt om bestuurlijke verankering, een duidelijke regierol en betrokkenheid van de hele organisatie. 

Duidelijke uitgangspunten en doelstellingen geven richting aan de aanpak. Een scherpe missie en visie zorgen voor gedeeld begrip van de urgentie en vormen de basis voor concrete, organisatiebrede doelen en een duurzame aanpak.

Gemeentelijke rekenkamers constateren dat de aanpak van ondermijnende criminaliteit een succes is wanneer de top van de gemeente (burgemeester, college én raad) zich expliciet committeert aan dit thema. Op deze wijze kan de benodigde prioritering plaatsvinden, kan men middelen vrijmaken en krijgt de integrale aanpak een duidelijke plaats in de organisatie. Kortom, een duidelijke positionering – met een uitgesproken mandaat – is het fundament voor een effectieve aanpak van ondermijnende criminaliteit. Daarbij zijn de gemeentesecretarissen ambtelijk eindverantwoordelijk voor de duurzame borging van de organisatorische inbedding.

Uitgangspunten en doelstellingen

Dit perspectief betreft de missie, visie en concrete doelstellingen van de gemeentelijke ondermijningsaanpak. Duidelijke uitgangspunten geven antwoord op de vragen waarom de gemeente ondermijnende criminaliteit aanpakt en waartoe dit dient. Een scherpe missie (het hogere doel) en visie (de manier om dat doel te bereiken) zorgen intern voor gedeeld begrip van de urgentie. Daaruit vloeien meetbare doelstellingen voort die richting geven aan de inspanningen. Belangrijk is dat deze doelen organisatiebreed worden gedragen en afdelingoverstijgend zijn; ondermijnende criminaliteit is immers een gezamenlijke verantwoordelijkheid en niet alleen van het team Openbare Orde en Veiligheid (OOV). Gebrek aan duidelijke doelen ondermijnt de effectiviteit. In de praktijk blijkt dat onduidelijke of uiteenlopende doelstellingen kunnen leiden tot het mislukken van projecten. Sommige gemeenten bleken in hun beleidsplannen weinig houvast te bieden, juist omdat concrete doelstellingen en actiepunten ontbraken. Zo constateerde de Rekenkamer Amersfoort dat het Integraal Veiligheidsplan slechts algemene ambities benoemde (‘het duurzaam terugdringen of voorkomen van georganiseerde criminaliteit’), zonder vertaling naar meetbare doelstellingen of een uitvoeringsplan. Door deze vrij algemene formulering ontbrak richting op operationeel niveau. Goede uitgangspunten betekenen dan ook dat de gemeente kiest voor een brede, integrale benadering, preventie én repressie en dit expliciet vastlegt. Een advies hierbij is om uiteenlopende doelen van alle betrokken partners samen te brengen tot gezamenlijke doelen en hier uitvoering aangeven.

Inzicht en beeldvorming

Situatieanalyse en ondermijningsbeeld

Een actuele situatieanalyse, vaak vervat in een lokaal ondermijningsbeeld is de basis van een doelgerichte aanpak. Een ondermijningsbeeld is een gebundelde analyse van signalen, fenomenen en criminele activiteiten in de gemeente. Het geeft inzicht in welke vormen van ondermijnende criminaliteit lokaal spelen, welke branches of wijken kwetsbaar zijn en hoezeer de samenleving wordt aangetast. Een goede analyse brengt de aard en omvang van deze problematiek in kaart, inclusief trends en patronen en vergelijkt de lokale situatie waar nodig met bovenlokale, districtelijke, regionale of landelijke ontwikkelingen.

In de praktijk blijkt dat systeemkennis en locatie-/straatkennis onvoldoende goed gecombineerd worden. Ondermijningsbeelden bestaan grotendeels uit systeemdata met een duiding in de vorm van een systeemanalyse. Een straatbeeld, dus wat er daadwerkelijk op een locatie of in een gebied speelt, ontbreekt vaak. Diverse rapporten tonen aan dat gemeenten vaak onvoldoende zicht hebben op verborgen criminaliteit. De Algemene Rekenkamer benadrukt dat inzicht en informatie cruciaal zijn: pas als duidelijk is welke criminele fenomenen en verwevenheden spelen, kunnen effectieve interventies worden gepland.

Gemeenten moeten voortdurend hun informatiepositie actualiseren, want criminelen passen hun werkwijzen snel aan. Goede analyse betekent ook blinde vlekken opsporen: integrale gesprekken en het combineren van informatie uit verschillende bronnen helpen om verborgen problemen aan het licht te brengen.

Slim zicht

Slim zicht houdt in dat de gemeente innovatieve en integrale methoden inzet om verborgen criminaliteit zichtbaar te maken. Naast reguliere informatievergaring (meldingen, signalen, observaties en politie-informatie) gaat het om proactief en data-gedreven werken. Denk aan integrale schouwen in wijken, fenomeengesprekken met partners en het gebruik van nieuwe technologieën zoals big data-analyse of zelfs AI om patronen te ontdekken. Slim betekent dat uiteenlopende databronnen en signalen worden gecombineerd tot bruikbare inzichten (intelligence) over waar ondermijnende criminaliteit plaatsvindt of naartoe beweegt. Ook moeten lokale werkprocessen aansluiten bij regionale of landelijke systemen, bijvoorbeeld dat lokale signalen eenvoudig kunnen worden doorgezet naar het RIEC of kunnen worden ingevoerd en verrijkt in landelijke analysetools. Data-analyse blijkt een steeds krachtiger hulpmiddel om inzicht te krijgen in aard, omvang en lokale verankering van criminele fenomenen. Zulke inzichten helpen gerichter te speuren naar criminele broeinesten (bijvoorbeeld panden die als drugsopslag dienen) en maken preventie mogelijk door op tijd signalen op te pikken. Tegelijk geldt dat slimme tools verstandig ingezet moeten worden. Wetenschappers waarschuwen dat voorspellende indicatoren kritisch beoordeeld moeten worden: een hoge kwetsbaarheidsscore voor een buurt of gemeente zegt niet alles, en mag niet als harde waarheid worden gezien.

Slim zicht betekent dus: technologisch vernuft combineren met menselijk oordeelsvermogen. Integraal de wijk ingaan met verschillende disciplines blijft cruciaal om data te toetsen aan de werkelijkheid en nieuwe signalen op te vangen. Al met al vergroot slim zicht de kans dat je ondermijnende criminaliteit eerder herkent en effectiever aanpakt, maar alleen wanneer de gebruikte methoden valide zijn en de privacy geborgd is. Het is belangrijk goed te definiëren wát je meet en te zorgen dat indicatoren het beoogde concept daadwerkelijk weerspiegelen.

Regie en organisatie

Regievoering

Sterke regievoering is onontbeerlijk in de bestuurlijke aanpak van ondermijnende criminaliteit. Dit betreft zowel politiek leiderschap (burgemeester en wethouders, raad) als ambtelijk leiderschap (gemeentesecretaris, teamleiders) dat richting geeft aan de uitvoerders. De burgemeester heeft doorgaans de regierol: vaak is hij/zij portefeuillehouder en boegbeeld van de aanpak. Uit een advies van de Raad van State blijkt dat burgemeesters een belangrijke rol vervullen in de integrale aanpak, maar dat hun mogelijkheden juridisch en organisatorisch begrensd zijn.

Ze hebben formeel gezien als het om de handhaving van de openbare orde gaat gezag over de politie in hun gemeente, maar niet het beheer. De nationale politie bepaalt hoeveel en welke agenten beschikbaar zijn. De burgemeester moet dus vooral anderen mobiliseren en samenwerking faciliteren, want de slagkracht zit in teamwork. Leiderschap uit zich in een duidelijke visie uitdragen, prioriteiten stellen en keuzes maken en verantwoordelijkheden afbakenen. Ook een ambtelijke coördinator/gemeentesecretaris is essentieel om intern de kar te trekken, organisatiebreed ondermijning in te bedden en silo’s te doorbreken, zodat afdelingen/teams als één geheel opereren tegen ondermijnende criminaliteit. In de praktijk zien we dat waar regie ontbreekt, de aanpak versnipperd blijft. Een daadkrachtige burgemeester zet ondermijnende criminaliteit hoog op de agenda en betrekt de hele organisatie en externe partners actief. Tegelijk moet de lokale driehoek optimaal benut worden: effectieve samenwerking tussen burgemeester, politie en OM – ieder binnen zijn eigen bevoegdheden – is cruciaal. Regievoering betekent ook durven investeren (bijvoorbeeld in extra formatie of vernieuwende projecten) en volhouden op de lange termijn. Een cultuur creëren waarin ondermijnende criminaliteit serieus wordt genomen en ambtenaren zich gesteund voelen om proactief en reactief te handelen, is daarbij van belang.

Stakeholders en samenwerking

In de kern, als alle partners stevig hun eigen rol en verantwoordelijkheid oppakken in de aanpak en weerbaarheid van ondermijnende criminaliteit, gaat het landschap van integraal samenwerken er anders uitzien en effectiever uitzien. Geen enkele organisatie kan immers in haar eentje de complexe verweving van onder- en bovenwereld tegengaan. Belangrijke stakeholders zijn intern: uiteenlopende gemeentelijke afdelingen (zoals vergunningen, toezicht, handhaving, burgerzaken en sociaal domein), en extern: politie, Openbaar Ministerie, Belastingdienst, FIOD, Douane, Nederlandse Arbeidsinspectie, NVWA, Ksa, RIECs, provincies, omgevingsdiensten, woningcorporaties, zorginstellingen en anderen. Samenwerken betekent niet alleen informatie delen, maar ook het afstemmen van acties en het inzetten van elkaars bevoegdheden en vertrouwensrelatie opbouwen. Een effectief samenwerkingsverband opereert als één overheid richting de criminaliteit. Hierbij zijn randvoorwaarden belangrijk: vertrouwen tussen partners, wederzijds begrip van elkaars rol en deskundigheid, informatiedeling en duidelijke procesafspraken om knelpunten op te lossen.

Uit zowel praktijk als onderzoek blijkt dat goede samenwerking het verschil maakt. Het RIEC-model is daar een voorbeeld van. Binnen elk RIEC bundelen gemeenten, politie, OM, bestuur en andere partners hun kennis en mogelijkheden, wat aantoonbaar positieve resultaten oplevert. De Raad van State benadrukt dat gezien de veelomvattendheid van ondermijnende criminaliteit de nadruk moet liggen op nauwe samenwerking tussen burgemeester, politie en OM, met optimaal gebruik van ieders bevoegdheden. In zo’n integrale samenwerking draagt elke partner vanuit de eigen taak bij, mits in goed onderling overleg. Een gemeente moet intern ook over afdeling- en teamgrenzen heen samenwerken: bijvoorbeeld signalen uit het sociaal domein (zoals uitkeringsfraude of jeugdproblematiek) moeten gekoppeld kunnen worden aan veiligheidsinformatie, zodat een volledig beeld ontstaat.

Bestuurlijke en juridische basis

Beleid, verordeningen & bestuurlijke basis op orde

Dit perspectief betreft de formele beleidskaders en instrumenten waarover de gemeente beschikt om ondermijnende criminaliteit aan te pakken. De bestuurlijke basis op orde betekent dat er actueel en sluitend beleid is en dat alle wettelijke en bestuursrechtelijke mogelijkheden optimaal zijn geregeld, actueel zijn én benut worden. Denk aan een Bibob-beleid (toetsen van vergunningaanvragen op integriteitsscreening), gebruik van artikel 13b Opiumwet (bestuursrechtelijke aanpak drugspanden), strikt toezicht en handhaving via de Algemene plaatselijke verordening (APV), Omgevingswet en andere relevante wettelijke voorschriften. Het gaat erom dat de gemeente structureel het misbruik van legale infrastructuren voorkomt en tegengaat met passende maatregelen.

Ook moeten verschillende beleidsvelden op elkaar aansluiten (zoals veiligheid, economie, sociaal domein en ruimtelijke ordening) zonder tegenstrijdigheden of lacunes. Een gemeente die de basis op orde heeft, hanteert een duidelijke visie op relevante thema’s en heeft concreet beleid dat wordt uitgevoerd. Het beleid actief toepassen in de praktijk, evalueren, leren en bijstellen is essentieel. Uit onderzoek blijkt dat in het verleden veel gemeenten slechts algemene ambities, doelstellingen en uitgangspunten hadden zonder concrete uitwerking, wat de uitvoering bemoeilijkte. Het is dus van belang om beleid ondermijningsproof te maken en dat er voldoende middelen en capaciteit zijn om er uitvoering aan te geven. Loop alle relevante verordeningen, beleidsregels, procedures, werkprocessen na op kwetsbaarheden. Een recent voorbeeld is de Handreiking Kwetsbare branches van JenV en EZK (2024), die gemeenten en branches helpt sectoren in kaart te brengen en maatregelen te nemen om crimineel misbruik te voorkomen. Verder moet de gemeente haar instrumentarium voortdurend up-to-date houden én inzetten waar nodig.

Gebruik van bevoegdheden

Onder bevoegdheden verstaan we de wettelijke instrumenten en toezichts- en handhavingsmogelijkheden die gemeenten en partners hebben om op te treden tegen ondermijnende criminaliteit. Goede regie houdt in dat alle partners hun bevoegdheden kennen én effectief inzetten en dat deze op elkaar aansluiten. Het gaat om bestuursrechtelijke bevoegdheden (zoals pandsluitingen/lasten onder bestuursdwang, lasten onder dwangsom, vergunningen intrekken of schorsen, dan wel voorschriften en beperkingen aan deze vergunningen verbinden, Bibob-toetsen), strafrechtelijke bevoegdheden (opsporing, vervolging, inbeslagname), fiscale instrumenten, civielrechtelijke mogelijkheden en meer. Een goede regie betekent dat deze verschillende bevoegdheden in samenhang worden toegepast. Ook moeten toezichthouders en handhavers de juiste aanwijzingen en certificeringen hebben (denk aan boa’s met de juiste bevoegdheidsdomeinen) om effectief te kunnen handelen.

Optimale benutting van bevoegdheden vergt afstemming en kennisdeling. De Raad van State stelde dat elke instantie binnen zijn rol verantwoordelijkheid moet nemen en de bevoegdheden waarover hij beschikt zo adequaat mogelijk moet inzetten. Wanneer bijvoorbeeld politie en gemeente gelijktijdig tegen een drugspand optreden (de politie via strafrecht en de burgemeester via bestuursrecht) heeft dit maximaal effect. Om dit te bereiken moeten partners van elkaars mogelijkheden op de hoogte zijn. Een knelpunt is vaak dat gemeentelijke medewerkers of ketenpartners onvoldoende bekend zijn met alle juridische instrumenten. Scholing en overleg zijn dus nodig, zodat bijvoorbeeld een belastinginspecteur weet wanneer de burgemeester kan ingrijpen of de gemeenteambtenaar weet wanneer het OM in beeld moet komen.

Belangrijk is dat elke partner binnen de kaders van zijn wettelijke taak blijft om de legaliteit te waarborgen. Daarom is goede coördinatie en regie nodig, zodat bevoegdheden elkaar versterken en niet in de weg zitten. Dit betekent dus niet dat een aanpak altijd integraal moet zijn. Een mono- of multidisciplinaire aanpak kan per situatie minstens net zo effectief zijn. Tot slot is periodieke evaluatie van de ingezette bevoegdheden gewenst: gemeenten dienen bijvoorbeeld bij te houden welke instrumenten effect sorteren en waar juridische knelpunten zitten. Op basis daarvan kan men bij het Rijk pleiten voor nieuwe wetgeving of aanpassingen (denk aan de roep om een brede Ondermijningswet).

Uitvoering en toezicht

Het komt uiteindelijk aan op de uitvoering: de daadwerkelijke implementatie van plannen. De uitvoeringsfase omvat toezicht, (integrale) controles, beoordelen van vergunningaanvragen, interventies en alle concrete acties waarmee de doelen worden nagestreefd. Belangrijk is dat de uitvoering proactief en planmatig is. Een gemeente dient idealiter een jaarlijks uitvoeringsprogramma te hebben met daarin concrete acties, verantwoordelijken en termijnen. Ook moeten de benodigde capaciteit en middelen voor de uitvoering geregeld zijn en moet er flexibiliteit bestaan om op nieuwe ontwikkelingen in te spelen.

In verschillende gemeenten is juist de stap van papier naar praktijk een uitdaging. Rekenkamers wijzen erop dat ambitieus beleid soms strandt door gebrek aan capaciteit, sturing of handelingsverlegenheid in de uitvoeringspraktijk. Zulke tekorten belemmeren een voortvarende uitvoering. Proactief toezicht houden betekent dat de gemeente niet wacht op incidenten en meldingen, maar zelf risicovolle situaties in beeld brengt (bijvoorbeeld bedrijfscontroles, preventieve controles/knock and talkgesprekken, buurtschouwen en adrescontroles). Gemeenten die hierin vooroplopen werken met jaarplannen, waarin per kwartaal acties zijn gepland, zoals aantal integrale controles en aantal Bibob-onderzoeken vaak samen met partners.

Het is zaak niet alleen plannen te maken maar ook te zorgen voor de mensen en middelen met de juiste kennis en kunde om die uit te voeren. Het is positief dat steeds meer gemeenten een ondermijningsteam inrichten of regionale uitvoeringsafspraken treffen, zodat er voldoende capaciteit en expertise is. Bovendien leidt goede uitvoering tot zichtbare resultaten (aantal gesloten panden, ingetrokken vergunningen, gesloten drugspanden en lasten onder dwangsom), wat op zijn beurt weer politieke en maatschappelijke steun voor de aanpak vergroot. De uitvoering moet ten slotte regelmatig worden gemonitord en bijgestuurd (zie perspectief Monitoring) om te verzekeren dat acties effect sorteren en dat men leert van ervaringen.

Informatie en infrastructuur

Het perspectief informatiehuishouding en infrastructuur betreft de manier waarop informatie wordt verzameld, verwerkt, opgeslagen, gedeeld en geanalyseerd. Een robuuste informatiehuishouding is de ruggengraat van de ondermijningsaanpak. Alleen met een goed informatiebeeld kan men gerichte acties ondernemen.

Belangrijke aspecten zijn het bundelen en coördineren van informatiestromen binnen de gemeente (bijvoorbeeld gegevens van verschillende afdelingen/teams: vergunningen, toezicht, handhaving, belastingen en sociaal domein) en tussen partners. Er moet infrastructuur zijn om straatkennis (signalen uit wijken, van frontlijnmedewerkers, toezichthouders, (jeugd)boa’s en jongerenwerkers) te verbinden met systeemkennis (data uit registraties en systemen). Ook hoort hierbij het juridisch kader: welke gegevens mogen worden verwerkt, uitgewisseld en hoe is dat geregeld (denk aan privacywetgeving en een beschrijving van de afspraken via een convenant). Vaak zien we de ontwikkeling van digitale systemen of dashboards waar relevante gegevens samenkomen en protocollen, werkprocessen voor gegevensdeling en -verwerking (zowel intern als binnen het RIEC-samenwerkingsverband).

In de praktijk is informatie delen en gedeeld krijgen één van de grootste uitdagingen. Een notitie van de burgemeesters stelt: “Op het moment dat informatie niet mag worden gedeeld – zelfs niet binnen de eigen gemeentelijke organisatie – kan de overheid onmogelijk effectief de georganiseerde criminaliteit bestrijden.” Gemeenten geven aan dat zij een betere bijdrage kunnen leveren als ze dwarsverbanden mogen leggen tussen informatie uit diverse domeinen en meer kunnen doen met signalen van ondermijnende criminaliteit. Zo willen veel gemeenten dat bepaalde gegevens tussen afdelingen en teams gedeeld kunnen worden om gerichter problemen in beeld te brengen en hierop te acteren. Gelukkig wordt er gewerkt aan oplossingen: verbeterde datakoppeling, stevigere wettelijke grondslagen voor gegevensuitwisseling en duidelijkere instructies/werkafspraken om handelingsverlegenheid weg te nemen. Sommige regio’s experimenteren met dashboards of signaalformulieren waarmee ambtenaren laagdrempelig verdachte zaken kunnen melden; centraal wordt dat geanalyseerd. Steeds meer gemeenten ontwikkelen een integrale informatie-omgeving waarin data uit verschillende bronnen worden gecombineerd en geanalyseerd.

Een zorgvuldige omgang met persoonsgegevens vormt een randvoorwaarde voor elke effectieve, rechtmatige en doelmatige aanpak van ondermijnende criminaliteit. De Data Protection Impact Assessment (DPIA) speelt hierin een centrale rol. Dit instrument dwingt overheden en samenwerkingsverbanden om vooraf expliciet stil te staan bij het doel van de gegevensverwerking, de noodzaak ervan, de juridische grondslag en de gevolgen voor de privacy van betrokkenen. Het vertrekpunt van elke gegevensverwerking is een helder en concreet omschreven doel. Dit volgt rechtstreeks uit het doelbindingsbeginsel van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), dat bepaalt dat persoonsgegevens uitsluitend mogen worden verzameld voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden. Voor de aanpak van ondermijnende criminaliteit betekent dit dat alleen gegevens mogen worden verwerkt die aantoonbaar bijdragen aan het voorkomen, signaleren of bestrijden van ondermijnende criminaliteit. Na de doelafbakening volgt de toets op noodzaak en dataminimalisatie. De AVG vereist dat persoonsgegevens toereikend, ter zake dienend en beperkt zijn tot wat noodzakelijk is voor het doel. Dit betekent dat niet alleen moet worden vastgesteld óf een gegeven relevant is, maar ook of het in die specifieke vorm nodig is. In veel gevallen kan het doel mogelijk worden bereikt met minder gegevens, met minder detail of met geanonimiseerde of geaggregeerde informatie.

Elke gegevensverwerking die een inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen moet daarnaast steunen op een geldige wettelijke grondslag. Voor overheden ligt die grondslag in de praktijk veelal in de uitvoering van een taak van algemeen belang of de uitoefening van openbaar gezag, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder e, AVG. Hoewel er geen specifieke wet bestaat die de aanpak van ondermijnende criminaliteit integraal regelt, kunnen gemeenten en andere overheden hun gegevensverwerking baseren op bestaande wettelijke taken, bijvoorbeeld op grond van de Gemeentewet, Alcoholwet, APV’s, Wet basisregistratie personen, Omgevingswet of andere relevante bijzondere wetgeving. Voorwaarde is wel dat de verwerking van persoonsgegevens redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van die taak. Naast de aanwezigheid van een wettelijke grondslag moet elke privacyinbreuk ook inhoudelijk gerechtvaardigd zijn. Het proportionaliteitsbeginsel vereist dat de mate van inbreuk op de privacy in verhouding staat tot het nagestreefde maatschappelijke doel, zoals veiligheid of criminaliteitsbestrijding. Het subsidiariteitsbeginsel verlangt dat wordt onderzocht of het doel niet op een minder ingrijpende wijze kan worden bereikt. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat wordt gekozen voor gerichte informatieverzameling in plaats van brede data-analyses, of voor het gebruik van niet-herleidbare informatie waar dat volstaat. Deze afwegingen moeten vooraf worden gemaakt en expliciet worden vastgelegd. Tot slot moet de gegevensverwerking in haar geheel voldoen aan de beginselen van artikel 5 AVG. Deze beginselen vormen samen het toetsingskader voor rechtmatige en zorgvuldige gegevensverwerking. De verwerking moet rechtmatig, behoorlijk en transparant zijn. Dit betekent dat zij moet steunen op een geldige grondslag en op een voor betrokkenen begrijpelijke en uitlegbare manier moet plaatsvinden. Persoonsgegevens mogen uitsluitend worden gebruikt voor het vastgestelde doel en niet voor andere, daarmee onverenigbare doeleinden.

Aan al deze beginselen is de verantwoordingsplicht gekoppeld. Overheden en samenwerkingsverbanden moeten niet alleen voldoen aan de AVG, maar ook kunnen aantonen dat zij dit doen. Dit vraagt om zorgvuldige documentatie van gemaakte keuzes, juridische grondslagen, uitgevoerde DPIA’s en getroffen maatregelen. Privacyprotocollen, vastgelegde afwegingskaders en logging van gegevensuitwisselingen dragen hieraan bij. Op die manier kan, indien daarom wordt gevraagd door toezichthouders of betrokkenen, worden onderbouwd dat de gegevensdeling in de aanpak van ondermijnende criminaliteit rechtmatig, noodzakelijk en proportioneel heeft plaatsgevonden.

Preventie en weerbaarheid

Dit perspectief richt zich op het wegnemen van de voedingsbodem voor ondermijnende criminaliteit. De onderliggende gelegenheidsstructuren en oorzaken die criminaliteit voeden. Criminelen maken immers gebruik van de kansen die onze samenleving biedt. De gedachte is dat je niet alleen de criminelen zelf moet aanpakken en bestrijden, maar ook de omstandigheden die hun activiteiten faciliteren moet doorbreken. Een duurzame aanpak gaat dus verder dan opsporing en bestraffing; het omvat ook preventieve maatregelen om de grondoorzaken aan te pakken. Voedingsbodem omvat bijvoorbeeld kwetsbare locaties (zoals anonieme bedrijventerreinen, afgelegen buitengebieden, vakantieparken zonder of met onvoldoende toezicht, kwetsbare wijken), kwetsbare branches (sectoren gevoelig voor misbruik, zoals automotive, inkoop en verkoop van goud en andere tweedehandse goederen (DOR-DOL), horeca, zorg én kwetsbare personen (bijvoorbeeld inwoners in sociaaleconomische nood of met schulden die vatbaar zijn om geronseld te worden). Het wegnemen van de voedingsbodem betekent dus zowel gelegenheidsstructuren afsluiten als de weerbaarheid van individuen en gemeenschappen vergroten, zodat de aantrekkingskracht van de onderwereld vermindert.

Concreet kan dit betekenen: streng ruimtelijk ordeningsbeleid voeren zodat panden niet langdurig leegstaan of oneigenlijk gebruikt worden, extra toezicht op vakantieparken houden of branches aanwijzen die vergunningplichtig zijn om malafide vestiging te voorkomen. Ook het wegnemen van sociale voedingsbodems is belangrijk: voorkomen dat kwetsbare jongeren of andere inwoners in de criminaliteit worden gezogen. Dat kan door armoede en werkloosheid aan te pakken en waar mogelijk te voorkomen, voorlichting te geven op scholen, in wijken (bijvoorbeeld buurthuizen) en bij verenigingen, en personen die al in aanraking zijn geweest met criminelen hulp te bieden. Dit betekent dat de gemeente zowel zelf over up-to-date instrumenten moet beschikken om barrières op te werpen, als ook inwoners en ondernemers moet ondersteunen en handelingsperspectief bieden om nee te zeggen tegen crimineel geld.

Met omgeving wordt zowel de fysieke als de sociale leefomgeving bedoeld en hoe de ondermijningsaanpak daarin is ingebed. Het gaat om de vraag of de waarden en normen van de lokale gemeenschap stroken met de aanpak en hoe specifieke gebieden of locaties extra aandacht krijgen. Ondermijnende criminaliteit heeft direct effect op wijken en buurten: het beïnvloedt leefbaarheid en veiligheidsgevoel. De vraag is dus: voelt de samenleving zich mede-eigenaar van de strijd tegen ondermijnende criminaliteit? Zijn er omgevingsfactoren (zoals lokale cultuur, economie, infrastructuur) die criminaliteit in de hand werken of juist kunnen verhinderen?

Een succesvolle ondermijningsaanpak is ingebed in de lokale gemeenschap. Maatregelen moeten afgestemd zijn op lokale omstandigheden en gedragen worden door burgers, ondernemers en maatschappelijke organisaties. Uit analyses (zoals de City Deal/Zicht op ondermijning) bleek dat fenomenen als vastgoedmisbruik niet gelijkmatig verspreid zijn, maar geconcentreerd op specifieke hotspots in de stad. Dit impliceert dat gemeenten hun omgeving moeten kennen: weet waar de kwetsbare plekken zijn en richt daar je interventies op. Sommige gemeenten maken gebiedsgerichte plannen, zoals intensiever controleren in havens of bepaalde winkelstraten of het instellen van brancheregels. De fysieke omgeving kan ook proactief weerbaar worden gemaakt, bijvoorbeeld door verpaupering tegen te gaan (goed onderhoud, verlichting, aanwezigheid van toezicht) verklein je de ruimte voor ondermijnende activiteiten. Sociale cohesie is ook een factor: in een hechte gemeenschap valt vreemd crimineel gedrag eerder op en is de bereidheid om te melden vaak groter, mits er vertrouwen is dat melden veilig kan. In dorpen of wijken waar iedereen elkaar kent, kan het helpen om vertrouwenspersonen of anonieme meldkanalen te hebben, zodat mensen niet bang zijn voor repercussies. Omgevingsgerichte maatregelen, zoals het weren van malafide bedrijven kunnen daarom een groot verschil maken. Ten slotte biedt de Omgevingswet kansen: gemeenten kunnen daarin integrale afwegingen maken waarbij veiligheid explicieter wordt meegewogen in ruimtelijke beslissingen (zoals het voorkomen van concentraties van hoogrisico-branches in kwetsbare wijken).

Het perspectief integriteit en weerbaarheid gaat over de integriteit van overheid en partners en de weerbaarheid van personen. Criminelen proberen niet alleen misbruik te maken van systemen, maar soms ook actief ambtenaren, politici of andere functionarissen te beïnvloeden via omkoping, manipulatie, bedreiging of infiltratie. Kwetsbare functies binnen gemeenten zijn:

  • MT, gemeenteraad en college
  • Medewerkers vergunningen
  • Medewerkers vastgoed en grondzaken (in het kader van aanbestedingen, subsidies, vastgoed- en projectontwikkeling, grondverkoop)
  • Medewerkers sociaal domein (signalering, voorkomen misbruik van (zorg-)gelden)
  • Medewerkers toezicht en handhaving (signalering, versterken informatiepositie, inzet bestuurlijk instrumentarium, gemeentelijke ‘ogen en oren’ op straat)
  • Medewerkers burgerzaken (signaleringsfunctie)
  • Medewerkers buitendienst (groenmedewerkers, milieustraat, etc.)

 

Integriteit betekent dat medewerkers en bestuurders onkreukbaar zijn en zich houden aan ethische normen en gedragscodes, ook onder druk. Weerbaarheid slaat op het vermogen van personen en organisaties om weerstand te bieden aan pogingen tot corruptie of intimidatie en om te gaan met de harde kant van de ondermijningsaanpak (dreigingen, agressie). Eén integriteitsschending kan grote schade doen aan het vertrouwen en de veiligheid. Daarom zijn er landelijke programma’s, zoals Veilige Publieke dienstverlening en Weerbaar Bestuur, die zich richten op het vergroten van de weerbaarheid van ambtenaren en bestuurders tegen agressie, intimidatie en ondermijnende criminaliteit.

Op lokaal niveau moeten gemeenten dit borgen. Concreet kunnen ze diverse stappen nemen: integriteit begint bij een duidelijke gedragscode, regelmatige bewustwording bij medewerkers van wat wel/niet kan en hoe te handelen bij dilemma’s. Sommige gemeenten laten nieuwe ambtenaren een eed of belofte afleggen en een integriteitsverklaring ondertekenen en hebben vertrouwenspersonen of integriteitsfunctionarissen aangesteld, die ook speciaal letten op ondermijningsgerelateerde kwesties. Weerbaarheid houdt in dat medewerkers getraind worden om nee te zeggen en alarm te slaan als zij benaderd worden door criminelen. Denk aan trainingen om subtiele omkopingspogingen te herkennen of hoe om te gaan met bedreigingen aan je adres. Ook nazorg is van belang: bedreigde personen (zoals burgemeesters, raadsleden, wethouders en ambtenaren) moeten kunnen rekenen op steun, beveiliging en professionele hulp om hun werk te blijven doen. De organisatiecultuur speelt hier een rol: integriteit en weerbaarheid moeten regelmatig onderwerp van gesprek zijn, niet alleen bij incidenten. Integriteit strekt zich ook uit tot externe partners en bestuurders: zo is bij de benoeming van wethouders een integriteitstoets gebruikelijk en worden convenanten en werkafspraken met externe partijen vaak voorzien van integriteitsclausules. Het motto is: weerbaar bestuur is een voorwaarde voor een weerbare samenleving.

Signalering en melden

Intern en extern meldpunt

Een meldpunt ondermijnende criminaliteit is een laagdrempelig kanaal waar zowel professionals als burgers vermoedens van ondermijnende criminaliteit kunnen melden. Idealiter zijn er aparte routes voor interne meldingen (ambtenaren, ketenpartners) en externe meldingen (burgers, ondernemers). Belangrijk is dat het meldpunt duidelijk en toegankelijk is, zodat men weet waar men terechtkan en dat anonimiteit of veiligheid gewaarborgd is indien nodig. Vaak bestaat het meldpunt uit meerdere kanalen: een telefoonnummer, een online formulier of e-mailadres en soms fysieke inloop via bijvoorbeeld wijkagenten of stadskantoren.

Daarnaast wordt meestal verwezen naar het landelijke meldpunt Meld Misdaad Anoniem (M.) voor volledige anonimiteit, naar de politie of naar De Vertrouwenslijn. Deze reguliere externe kanalen vormen een cruciaal meldpunt. Een goed functionerend meldpunt vergroot de informatiepositie enorm. Daarom is communicatie over meldpunten van belang (zie ook Communicatie en bewustwording): mensen moeten weten wat en waar ze iets kunnen melden. Steeds meer gemeenten hebben een eigen (intern) meldpunt ingericht. Belangrijk is dat achter het meldpunt een procedure ligt: ontvangen signalen moeten beoordeeld, geregistreerd en zo nodig doorgeleid worden naar de juiste partners voor opvolging. Maar ook zichtbaarheid van coördinator ondermijning waar vermoedens persoonlijk gemeld kunnen worden. Een uitdaging is de terugkoppeling aan de melder; terugmelding vergroot het vertrouwen dat er iets met de melding gebeurt. Vaak kunnen vanwege (opsporings)gevoeligheid niet alle details teruggekoppeld worden, maar een algemene reactie kan al genoeg zijn. Ook is het zaak dat de binnengekomen meldingen geanalyseerd worden: komen ze overeen met het ondermijningsbeeld of wijzen ze op nieuwe fenomenen? Daarnaast is het van belang dat leidinggevenden binnen deze context aandacht hebben voor medewerkers en antennes hiervoor ontwikkelen, zodat er vertrouwen ontstaat en medewerkers durven te melden. Rugdekking geven hierbij is essentieel. Dat helpt om prioriteiten te stellen. Het gaat niet alleen om het proces, maar ook om gedrag/cultuur.

Zorg en maatschappelijke impact

Ondermijnende criminaliteit kent ook slachtoffers; direct en indirect. Denk aan ondernemers die worden afgeperst of bedreigd door criminelen, bewoners van een wijk die lijden onder geweld of drugsoverlast, jongeren worden seksueel uitgebuit of jongeren die door criminelen worden geronseld en uitgebuit (bijvoorbeeld als drugskoerier, hennepknipper, uithaler of geldezel). Daarnaast kunnen ook ambtenaren of bestuurders slachtoffer zijn van ondermijnende criminaliteit gerelateerd geweld of intimidatie. Slachtofferhulp bij ondermijnende criminaliteit betekent dat binnen de gemeente aandacht en ondersteuning is voor deze groep, via een loket of aanspreekpunt en dat er procedures zijn voor emotionele en praktische hulp – vergelijkbaar met reguliere slachtofferhulp, maar dan toegespitst op deze context.

De ondermijningsaanpak is niet compleet zonder oog voor slachtoffers. Traditioneel lag de focus op daders pakken, maar er wordt steeds meer erkend dat sommige ‘daders’ tegelijkertijd slachtoffer kunnen zijn van criminele uitbuiting. Deze ‘verborgen’ slachtoffers hebben hulp en bescherming nodig: vaak zijn het kwetsbare mensen die onder druk of misleiding in het criminele circuit belanden. Gemeenten kunnen via Veilig Thuis of het Zorg- en Veiligheidshuis of speciale programma’s zulke gevallen in beeld brengen en ondersteunen, in nauwe samenwerking met jeugdzorg, Veilig Thuis, reclassering en Slachtofferhulp Nederland.

Daarnaast zijn er de onschuldige omstanders die lijden onder geweld als gevolg van ondermijnende criminaliteit. Denk aan een explosie of schietpartij in een woonwijk als gevolg van een drugsconflict, wat de hele buurt traumatiseert. Hun veiligheidsgevoel moet worden hersteld, soms met buurtbijeenkomsten, extra politiepatrouilles, camera’s, bestuurlijke maatregelen of professionele hulpverlening. Ook voor ondernemers die slachtoffer zijn (bijvoorbeeld van afpersing of sabotage) is ondersteuning cruciaal: hen helpen veilig aangifte te doen, adviseren over beveiligingsmaatregelen of hen financieel bijstaan als ze schade lijden.

Een gemeentelijk aanspreekpunt kan deze slachtoffers de weg wijzen naar de juiste hulp. Landelijk zijn er initiatieven zoals het Centrum tegen Kinderhandel en Mensenhandel (CKM) die specifieke expertise bieden op criminele uitbuiting van jongeren. Uit pilots (bijvoorbeeld van Divosa) komt naar voren dat het actief opsporen van verborgen slachtoffers van ondermijnende criminaliteit ook een vorm van preventie is: door hen te helpen, doorbreek je de cyclus waarin criminelen telkens nieuwe mensen misbruiken. Essentieel is dat slachtoffers zich gehoord en gesteund voelen door de overheid. Dat vergroot bovendien de bereidheid van getuigen of slachtoffers om informatie te delen die kan helpen bij de opsporing van de daders.

Dit perspectief benadrukt de samenwerking tussen het zorgdomein en het veiligheidsdomein in de aanpak van ondermijnende (zorg)criminaliteit. Hiermee wordt onderkend dat ondermijnende criminaliteit ook diepe sporen trekt in het sociale domein. Veel ondermijningsvraagstukken hebben namelijk een sociale component: criminele netwerken maken misbruik van kwetsbaren, van voorzieningen en van maatschappelijke omstandigheden.

Denk aan gevallen van zorgfraude of zorgcriminaliteit: malafide zorgaanbieders die subsidies en financiële middelen opstrijken zonder echte zorg te leveren of criminele investeringen in zorgvastgoed. Fraude met zorggelden, valse indicaties of het opzetten van schijnzorginstellingen tasten niet alleen de publieke middelen aan, maar ook de kwaliteit van zorg en het vertrouwen van cliënten. RIEC Limburg voerde een provinciebreed onderzoek uit naar deze verwevenheid en kwam met een Handelingsperspectief zorgcriminaliteit. Een van de aanbevelingen is het vergroten van bewustwording en kennis over deze problematiek en intensievere samenwerking tussen zorg- en veiligheidsinstanties. Dit heeft geresulteerd in een plan van aanpak voor alle Limburgse gemeenten waarin speerpunten zijn: meer kennisdeling, betere samenwerking en stevig optreden om het zorgstelsel te behoeden voor criminelen. RIEC Oost-Nederland heeft een meerjarenplan zorgcriminaliteit ontwikkeld. Daarbij werkt zij met (keten)partners aan het fundament, dat wil zeggen wat gemeenten minimaal moeten inrichten en wat de stand van zaken is in Oost-Nederland. Daarbij werkt het RIEC Oost-Nederland aan inzicht in aard en omvang van het probleem, gedeeld eigenaarschap, bewustwording en weerbaarheid, en verhoging van de pakkans.

Maatschappelijke waarden zijn de gedeelde normen en uitgangspunten binnen een samenleving die bepalen wat mensen belangrijk, wenselijk en acceptabel vinden in gedrag, omgang en besluitvorming. Deze waarden geven richting aan hoe mensen met elkaar omgaan en vormen een belangrijke basis voor regels, beleid en wetgeving. Het gaat daarbij niet alleen om wat wettelijk wel of niet is toegestaan, maar ook om wat een samenleving moreel en sociaal aanvaardbaar vindt. Veel voorkomende maatschappelijke waarden zijn onder andere veiligheid, rechtvaardigheid, vrijheid, respect, solidariteit, integriteit en vertrouwen.

Binnen beleid, gericht op de aanpak en weerbaarheid tegen ondermijnende criminaliteit, zijn maatschappelijke waarden van groot belang, omdat zij inzicht geven in wat binnen een samenleving beschermd moet worden. Ondermijnende criminaliteit tast namelijk niet alleen de rechtsorde aan, maar kan ook leiden tot aantasting van maatschappelijke waarden, zoals vertrouwen in de overheid, een eerlijke economie en de veiligheid binnen de gemeenschap. Wanneer dergelijke waarden onder druk komen te staan, kan dit de legitimiteit van instituties en het functioneren van de lokale samenleving beïnvloeden.

Voor de lokale overheid is het daarom van belang om goed zicht te hebben op welke maatschappelijke waarden binnen een gemeenschap leven en waar maatschappelijke verontwaardiging ontstaat. Wanneer dit inzicht aanwezig is, kan beter worden beoordeeld of de gekozen aanpak en strategie aansluiten bij wat er in de samenleving speelt. Het vergroten van bewustwording en meldingsbereidheid is bijvoorbeeld effectiever wanneer binnen de samenleving ook een gevoel van urgentie bestaat rondom het onderwerp. Wanneer die urgentie beperkt aanwezig is, zal eerst moeten worden geïnvesteerd in het versterken van bewustzijn en betrokkenheid.

Dit vraagt om inzicht in het sociaal weefsel van de samenleving. Daarbij gaat het om de onderlinge relaties tussen inwoners, de mate van vertrouwen en de wijze waarop mensen elkaar aanspreken op gedrag. Wanneer inwoners elkaar aanspreken op ongewenst gedrag kan worden gesproken van informele sociale controle. Deze vorm van sociale controle speelt een belangrijke rol bij het bewaken van normen binnen een gemeenschap en kan bijdragen aan de weerbaarheid tegen ongewenste of criminele activiteiten. Een beperkte mate van informele sociale controle kan een aanwijzing zijn voor een lagere sociale cohesie binnen een gemeenschap of voor sociale afhankelijkheidsrelaties die het aanspreken op gedrag bemoeilijken. Wanneer maatschappelijke verontwaardiging over ondermijnende activiteiten nog beperkt aanwezig is, kan het noodzakelijk zijn om hier gericht op te investeren. Om effectief beleid te ontwikkelen is het daarom van belang dat de lokale overheid zicht heeft op de sociale dynamiek binnen een gebied en op de wijze waarop normen en waarden in de praktijk functioneren. Veranderingen in bewustzijn, normbesef en gedrag binnen een samenleving vragen tijd en kunnen meerdere jaren duren voordat zij zichtbaar effect hebben op houding, gedrag en meldingsbereidheid van inwoners.

Monitoring en doorontwikkeling

Monitoring en evaluatie draaien om het systematisch volgen van de voortgang en het meten van de resultaten van de ondermijningsaanpak. Monitoring is als de thermometer: worden de voorgenomen acties uitgevoerd en wat leveren ze op? Evaluatie gaat verder door de effecten te beoordelen en lessen te trekken voor beleid en uitvoering. Een structureel evaluatiemechanisme is nodig om de aanpak actueel en effectief te houden. Denk aan jaarlijkse voortgangsrapportages over het uitvoeringsprogramma, periodieke beleidsevaluaties (bijvoorbeeld eens per vier jaar) en bijstellingen van de strategie op basis van nieuwe trends of bevindingen. Monitoring kan zowel kwantitatief (zoals indicatoren en aantallen interventies) als kwalitatief (zoals ervaringen en casusbesprekingen) van aard zijn. Zonder monitoring tast men veelal in het duister over het succes van de aanpak. Zo stelde een rekenkamer bijvoorbeeld vast dat er wel inzicht bestond in het aantal ingezette bestuurlijke maatregelen, maar dat de effecten van deze maatregelen niet werden gemonitord en er ook niet over gerapporteerd werd. Men kon dus niet goed beoordelen of de inspanningen daadwerkelijk bijdroegen aan minder criminaliteit. Dit probleem zien we breder: de Algemene Rekenkamer heeft eerder aangegeven dat concrete resultaatmeting bij ondermijningsprojecten lastig is, mede door het preventieve en vaak vertrouwelijke karakter ervan. Toch is het essentieel om doelstellingen en indicatoren te formuleren. Bijvoorbeeld: stijgt het aantal signalen van ondermijnende criminaliteit (wat kan duiden op meer bewustzijn)? Daalt het aantal drugspanden in een wijk na intensieve controles? Dit benadrukt de noodzaak van vooraf meetbare doelen stellen én achteraf meten of die zijn behaald. Een goede monitoringstructuur borgt ook bestuurlijke weerbaarheid: door jaarlijks te evalueren en bij te sturen blijft het onderwerp op de agenda en wordt geleerd van ervaringen.

Het perspectief communicatie en bewustwording gaat over het informeren en sensibiliseren van zowel interne betrokkenen als het brede publiek over ondermijnende criminaliteit. Communicatie omvat alle middelen waarmee de gemeente uitdraagt wat ondermijnende criminaliteit is, wat de overheid eraan doet en wat van inwoners en ondernemers wordt verwacht (bijvoorbeeld signalen melden en preventieve maatregelen nemen). Bewustwording, handelingsperspectief en meldings(actie)bereidheid zijn het beoogde effect: dat mensen zich realiseren hoe ondermijnende criminaliteit eruitziet en waarom het bestreden moet worden. Het betreft interne communicatie (naar gemeentepersoneel, bestuurders en politieke vertegenwoordigers) én externe communicatie (richting inwoners, bedrijven, partners en lokale media). Een goede communicatiestrategie bevat voorlichting, trainingen, (publieks)campagnes, persberichten over behaalde resultaten, verantwoordingsvideo’s en het delen van best practices.

Ondermijnende criminaliteit is vaak onzichtbaar en sluipend. Daarom is bewustwording creëren een pijler van een preventieve aanpak. Dat geldt intern (ambtenaren moeten leren signalen te herkennen, ook buiten hun eigenlijke taak) en extern (inwoners en ondernemers moeten doordrongen zijn van het belang om niet weg te kijken en om signalen te melden). Daarnaast kan communicatie ook ingezet worden als interventiestrategie. Door bijvoorbeeld te communiceren over acties/controles straalt een gemeente ook naar criminelen uit dat zij actief is. Hierdoor wordt de gemeente minder aantrekkelijk. Communicatie is een doorlopend proces: het vraagt herhaling en variatie, omdat problematiek complex is en een lange adem vergt. Een eenmalige folder of campagne is niet genoeg. Er zijn diverse voorbeelden van communicatie-inzet: landelijke campagnes zoals ‘Weet waar je koopt’, ‘Houd misdaad uit je buurt’ en ‘Samen voor een veilige buurt’ leggen uit wat ondermijnende criminaliteit is en roepen op tot melden. Ook transparantie over geboekte resultaten vergroot het vertrouwen dat er iets gebeurt en heeft een afschrikwekkend effect. Zo communiceren sommige gemeenten als bestuurlijke maatregelen zijn genomen of als er een grote (integrale) controleactie is gehouden, om te laten zien dat de overheid aanwezig en waakzaam is.

Veel gemeenten organiseren intern bewustwordingssessies voor personeel: van baliemedewerkers tot toezichthouders/boa’s krijgen voorbeelden van ondermijnende criminaliteit in hun werkveld. Het CCV, ondermijnigsprogramma’s in de districten en RIEC’s hebben e-learnings en webinars over ondermijningssignalen. Wetenschappers beklemtonen dat onder- en bovenwereld verweven zijn en dat dus iedereen in zijn dagelijkse werk iets kan tegenkomen dat ‘niet pluis’ is. Bewustwording betekent die ogen openen en ernaar kunnen handelen. Een aandachtspunt is om communicatie positief en handelingsgericht te houden: mensen moeten niet alleen bang worden gemaakt, maar vooral weten wat ze kúnnen doen (bijvoorbeeld anoniem melden of preventieve stappen nemen als ondernemer).

Het perspectief kennisvergroting en expertiseborging betreft het actief vergroten van kennis over ondermijnende criminaliteit binnen de organisatie en het borgen (vasthouden) van expertise op lange termijn. Continue scholing en professionalisering zijn nodig om medewerkers bij te spijkeren over de nieuwste criminele modus operandi, veranderende wet- en regelgeving, ontwikkelingen in jurisprudentie en effectieve interventies. Kennisvergroting gebeurt via opleidingen, trainingen, bewustwordingssessies, workshops, conferenties en het gebruik van kennisplatforms (zoals Praktisch Begrepen). Expertiseborging houdt in dat cruciale kennis niet verdwijnt als personen vertrekken.

Een aandachtspunt is om niet alleen de usual suspects (het veiligheidsteam) te trainen, maar juist ook medewerkers van kwetsbare sectoren binnen de gemeente, zoals medewerkers vergunningen, medewerkers sociaal domein, medewerkers vastgoed, medewerkers RO en frontoffice-personeel. Zij komen vaak in aanraking met signalen zonder dat het hun hoofdtaak is. Door hen weerbaar te maken tegen ondermijnende criminaliteit wordt handelingsverlegenheid weggenomen en neemt de actiebereidheid tot. Zo hanteren sommige gemeenten een interne sleutelfiguren-netwerk: in elk team is een medewerker opgeleid als aanspreekpunt/ambassadeur ondermijning, om collega’s bewust te maken en signalen door te geven.

Daarnaast moeten best practices worden gedocumenteerd en gedeeld, zodat het wiel niet telkens opnieuw wordt uitgevonden. Expertiseborging kan betekenen: beschikbare kennisbanken raadplegen (zoals Praktisch Begrepen), aansluiten bij landelijke netwerken (zoals LIEC, RIEC’s, Platform Weerbaar Bestuur en ondermijningsprogramma’s) en zorgen voor voldoende overlap in functies (zodat kennis over dossiers niet bij één persoon berust). Onderzoek naar kennisoverdracht binnen veiligheidsdomein leert dat kennis vaak op papier blijft, maar gedragsverandering achterwege blijft. Daarom is learning by doing ook belangrijk: bijvoorbeeld gemengde teams op pad sturen, coaching door ervaren medewerkers en simulatie-oefeningen om te leren hoe ondermijnende criminaliteit in de praktijk eruitziet. Verder is structureel budget nodig voor professionele ontwikkeling.

Het perspectief zichtbare en handelende overheid betreft het tonen van aanwezigheid en daadkracht van de overheid, vooral in gebieden of situaties waar ondermijnende criminaliteit speelt. Een zichtbare overheid is fysiek en symbolisch aanwezig: denk aan opvallende controles, handhavingsacties en bestuurlijke maatregelen in de wijk of communicatie in de media over genomen maatregelen. Het idee is tweeledig: richting de onderwereld laat men zien dat de overheid oplet en ingrijpt (afschrikking), en richting de bovenwereld (burgers en bonafide ondernemers) geeft men het signaal dat de overheid grip heeft op de situatie en hun veiligheid beschermt (geruststelling).

Criminelen opereren bij voorkeur in de luwte. Een overheid die veelvuldig en onverwacht haar neus laat zien, verstoort hun werkklimaat. In de praktijk zien we dat regio’s met ondermijningsproblematiek steeds vaker gezamenlijke, zichtbare controles uitvoeren. Het doel is om effectief in te grijpen, maar nadrukkelijk ook zichtbaar: laten zien dat bepaalde wijken en bedrijventerreinen niet aan hun lot worden overgelaten. Dat vergroot het vertrouwen van bonafide bewoners en ondernemers, terwijl het criminelen op scherp zet. Zichtbaarheid betekent bijvoorbeeld: bij een integrale actie verschijnen gemeente, omgevingsdienst, politie, Belastingdienst en andere inspecties gezamenlijk ter plaatse, met herkenbare voertuigen en jassen. Vaak wordt media-aandacht gezocht (voor zover het onderzoek dit toelaat) om te communiceren welke overtredingen zijn geconstateerd en welke maatregelen zijn genomen.

Zichtbaar overheidshandelen werkt ook preventief. Een toezichthouder of bedrijfscontactfunctionaris die korte lijnen onderhoudt met ondernemers draagt bij aan een gevoel van veiligheid en meldingsbereidheid. Nieuwe instrumenten als een digitaal nachtregister (voor verhuurregistratie in hotel- en recreatiesector) of een opkoopbescherming in wijken maken dat illegale activiteiten minder onopgemerkt kunnen plaatsvinden. Wel is er een balans nodig: zichtbaarheid mag niet omslaan in profilering waarbij bepaalde groepen onterecht als verdacht worden neergezet. Mits goed ingezet is een zichtbare overheid echter een essentiële pijler voor een weerbare omgeving.

Jeroen Bakker

Wil je ondermijning effectief aanpakken binnen jouw organisatie?

Benieuwd hoe je dit vertaalt naar concrete regie, samenwerking en interventies in de praktijk? Bekijk mijn trainingen of neem contact op voor een gerichte aanpak binnen jouw gemeente.