Illustratie van laptops en handboeien als symbool voor informatiepositie en ondermijning

Datalek vanuit de samenleving?

LinkedIn
X
Facebook
WhatsApp
We vissen met z’n allen in dezelfde kom van ondermijningsdata. Maar vissen we daarmee niet naast het net? Missen we misschien wat er werkelijk gebeurt in de samenleving en wat echt nodig is voor een effectieve aanpak en weerbaarheid?

Het lijkt alsof er een kloof is ontstaan tussen middelen en mensen. Aan middelen ontbreekt het namelijk niet. We beschikken over talloze applicaties en systemen om organisaties te ondersteunen. Technologisch gezien hebben we dus weinig te klagen. Maar wat we met die technologie doen, is vooral het bouwen van digitale koninkrijken. We organiseren systemen langs territoria, bevoegdheden en structuren die eigenlijk nog uit de vorige eeuw stammen.

Neem bijvoorbeeld de systemen waarin buitengewoon opsporingsambtenaren hun zaken verwerken. Binnen één gemeente werken boa’s en toezichthouders in de praktijk vaak met verschillende applicaties. Terwijl zij in dezelfde wijken opereren en met dezelfde problematiek te maken hebben, leven zij digitaal op hun eigen eilandjes. Tegelijkertijd weten we dat georganiseerde criminaliteit zich weinig aantrekt van zulke grenzen. Criminelen opereren internationaal, schaalbaar en razendsnel. Gemeentegrenzen, arrondissementsgebieden of bestuurlijke structuren spelen voor hen geen enkele rol. Zij bewegen zich moeiteloos tussen de online en offline wereld.

Mens en middelen

De begrippen ondermijnende criminaliteit en georganiseerde misdaad zijn inmiddels redelijk ingeburgerd onder professionals en bestuurders. Georganiseerde misdaad zelf is primair een taak van het Openbaar Ministerie en de politie. Zoals Johan Cruijff zou zeggen: laten we eens over de bal kijken. Het is logisch dat politie en het Openbaar Ministerie specifieke bevoegdheden inzetten, zoals opsporingsmiddelen en infiltratie, met als doel verdachte(n) voor de rechter te brengen. Gemeenten beschikken niet over zulke bevoegdheden. Hun kracht ligt juist ergens anders: in het directe contact met de samenleving. Zij hebben een belangrijke rol in het versterken van weerbaarheid en in de bestuurlijke aanpak.

Bestuurlijk gezien vertegenwoordigt de gemeenteraad de lokale samenleving. Het gemeentebestuur heeft de rol van hoeder van een veilige leefomgeving. Het Openbaar Ministerie en de politie stellen grenzen en handhaven die. In die logica zit ook het verschil in perspectief: het Openbaar Ministerie kijkt primair naar de vraag of een zaak standhoudt bij de rechter, terwijl gemeenten kijken naar maatschappelijk effectief handelen voor een veilige samenleving.

In managementtaal wordt dat wel een missiegedreven organisatie genoemd: een organisatie die handelt vanuit een duidelijke maatschappelijke opdracht en zich richt op concreet effect. Zo’n focus kan helpen om gemeenten beter te positioneren in de aanpak van de schadelijke effecten van georganiseerde misdaad. Maar een missie alleen is niet genoeg. De stap van missie naar actie, en van actie naar meetbaar resultaat, blijkt in de praktijk vaak lastig. Overal wordt hard gewerkt door gemeenten en partners. Maar de vraag blijft: doen we ook de juiste dingen? En zijn die daadwerkelijk effectief?

De onderzoeksreflex

Een groot deel van ons werk is inmiddels datagedreven. We analyseren informatie, maken beelden en schrijven rapporten op basis van bestaande data. Dat klinkt logisch, maar in de praktijk valt de kwaliteit daarvan soms tegen. Als we eerlijk zijn, kunnen we de aard en omvang van ondermijnende criminaliteit vaak maar beperkt vaststellen. Contextinformatie ontbreekt regelmatig en het zogenaamde dark number (de criminaliteit die buiten beeld blijft) is groot. Datagedreven werken is nog lang niet volwassen. In de praktijk ontstaat vaak een circulair proces. De politie registreert wat er in de samenleving wordt waargenomen. Die informatie bevestigt dat een bepaald fenomeen voorkomt. Vervolgens wordt die kennis via systemen gedeeld en verwerkt in analyses. Daarna vormt diezelfde informatie weer een bron voor wetenschappelijk onderzoek.

Ik raak inmiddels soms de weg kwijt in de hoeveelheid onderzoeken over georganiseerde misdaad en ondermijnende criminaliteit. Veel bronnen verwijzen voortdurend naar elkaar. Een interessant detail: wanneer je onderzoeken over jeugdcriminaliteit naast elkaar legt, blijkt meer dan veertig procent van de literatuurlijsten overeen te komen. We zijn terechtgekomen in een wereld van bureauonderzoek en rapporten. Ik noem dat wel eens vissenkom-wetenschap: we blijven rondkijken in dezelfde kom en bevestigen vooral wat we al wisten. Misschien moeten we onszelf eens de vraag stellen of we niet te veel onderzoek doen vanuit de bureaustoel. In plaats daarvan zouden we meer onderzoekers nodig hebben die in de samenleving opereren.

Poten in de klei

Onlangs zat ik alleen te eten in een wegrestaurant in Barneveld. In het restaurant stond een grote leestafel waar mensen samen kunnen zitten, eten en een krant lezen. Ik schoof aan bij drie beroepschauffeurs. Ik was duidelijk een vreemde eend in de bijt: een wit overhemd tussen grijze truien en zwarte instapklompen. Het gesprek kwam op gang. Nog niet halverwege mijn hoofdgerecht had ik verteld dat ik trainer en ontwikkelaar was van opleidingen over ondermijnende criminaliteit. De chauffeurs begonnen te lachen. Ik vroeg of ze misschien voorbeelden uit de praktijk kenden.

Langzaam ging de kraan open. Ze vertelden over faillissementen en doorstarts in de transportwereld waar volgens hen best eens grondig onderzoek naar gedaan zou mogen worden. Over constructies waarvan in de sector iedereen weet dat ze bestaan. Een chauffeur vertelde over parkeerplaatsen waar je wordt benaderd door mannen in een oude BMW die bemiddelen voor speciale transporten. Bijvoorbeeld op een parkeerplaats vlak voor de Efteling in Waalwijk. Daarna kwam de tweede chauffeur los. In Groningen zou volgens hem een transporteur zitten die tuinbeelden uit Italië vervoert. Marmeren beelden. “Iedereen in de transportwereld weet het,” zei hij.

Het gesprek duurde misschien een half uur. Of alles feitelijk klopt, weet ik niet. Of het actueel is, weet ik ook niet. Maar in dat half uur kreeg ik wel drie concrete perspectieven om verder te onderzoeken. En dat is precies het punt. In de samenleving weten mensen vaak heel goed wat normaal is en wat niet. Ze zien wanneer normen vervagen en wanneer bepaalde praktijken onderdeel worden van een eigen cultuur. In dat grijze gebied opereren criminelen uitstekend. En juist in dat domein komt de overheid nog maar weinig. Behalve wanneer we opsporen, maar dan is het vaak al laat. Kortom, met de poten in de klei.

Van systemen naar samenleving

Als we echt weerbaar willen worden tegen ondermijnende criminaliteit, zullen we anders moeten kijken naar informatie en samenwerking. We moeten stoppen met het bouwen van steeds nieuwe digitale oplossingen die naast elkaar bestaan. In plaats daarvan is de vraag: wie kijkt strategisch naar het geheel? Wie voert de regie op de nationale informatiehuishouding? En hoe organiseren we samenwerking op een manier die aansluit bij de realiteit van georganiseerde criminaliteit? De uitdaging ligt niet alleen in betere systemen of meer onderzoek. De uitdaging ligt vooral in het verbinden van systemen met de samenleving.

Anders lopen we het risico dat we langzaam een museum bouwen van goede bedoelingen. Terwijl de georganiseerde misdaad allang weer een stap verder is.