Zo rijst de vraag of ondernemers, en in het bijzonder agrariërs, op het platteland vaker of juist minder vaak door criminelen worden benaderd dan ondernemers in steden. Feit is dat productielocaties veel ruimte vereisen en zich daarom grotendeels in het buitengebied vestigen. Daarnaast is het de vraag hoe zeker men kan vaststellen dat er daadwerkelijk sprake is van een benadering door criminelen, en in hoeverre men met zekerheid kan spreken van betrokkenheid van georganiseerde misdaad. De media doen een aardige duit in het zakje bij het framen van een mogelijk groot probleem op het platteland met termen als ‘exploderen van het aantal meldingen’. Maar echt heel diep in de hooiberg duiken, dat doet niemand.
De afgelopen maanden heb ik veldonderzoek gedaan onder agrariërs. Bij de start van het onderzoek waarschuwden ambtenaren mij dat contact leggen lastig zou zijn: de sector zou gesloten zijn en weinig vertrouwen hebben in de overheid. Met mijn ervaring in gesloten gemeenschappen besloot ik daarom bij het begin te beginnen, bij de boer aan tafel. Lees mee met mijn onderzoek, constateringen en wat nodig is om een goed beeld op te halen.
Als jonge agent in de jaren ’90 begon ik mijn stage op politiebureau Slinge in Rotterdam-Zuid. Ik kreeg een stempelkaart mee en moest langs belangrijke plekken en sleutelfiguren in de wijk: ondernemers, bewoners en instellingen. Het doel was eenvoudig, maar doeltreffend: zichtbaar zijn als overheid, relaties opbouwen en de wijk leren kennen.
Destijds vond ik dat weinig stoer. Ik was immers bij de politie gegaan om boeven te vangen, niet om koffie te drinken bij bewoners of een stempel te halen bij het postkantoor. Mijn mentor, een ervaren politieman die iedereen in de wijk kende, liet mij echter iets anders zien. Zijn overtuiging was simpel: wie de wijk begrijpt, kan beter opsporen. Dat doe je niet achter een bureau, maar tussen de mensen.
Die les in zichtbaarheid, vertrouwen en een sterke informatiepositie in de samenleving vormt nog steeds de basis van effectieve opsporing. Dat was dus het startpunt van dit onderzoek. Hoewel ik zelf niet meer in de opsporing werk, wilde ik wel een goed beeld krijgen van wat er speelt op het platteland. Daarbij kon ik terugvallen op eerdere ervaringen in gesloten gemeenschappen. Mijn aanpak is steeds hetzelfde: op zoek naar sleutelplaatsen en sleutelfiguren binnen een gemeenschap.
Weer terug in de tijd. Ik haalde in 2004 binnen de Chinese gemeenschap 16 aangiftes van afpersing op, in een omgeving die bekendstond als zeer gesloten. Dat lukte alleen door tijd te investeren, vertrouwen op te bouwen en de cultuur van binnenuit te leren begrijpen. Met sommige personen uit die periode heb ik nog steeds contact. Die ervaring bevestigde voor mij een belangrijke les: wie een gemeenschap wil begrijpen, moet bereid zijn te investeren in relaties, cultuur en vertrouwen.
Nu naar het platteland. Als jongen uit de stad onderzoek doen midden in een agrarische gemeenschap, dan begin je eigenlijk opnieuw. De dynamiek, omgangsvormen en netwerken zijn namelijk anders dan in de stad. Net als eerder zocht ik daarom eerst naar sleutelplaatsen en sleutelfiguren: plekken waar mensen elkaar ontmoeten en personen die weten wat er speelt. Door aanwezig te zijn, gesprekken te voeren en de lokale cultuur te willen begrijpen, ontstaat langzaam toegang tot een gemeenschap die op het eerste gezicht gesloten lijkt.

Om het gebied te leren kennen, stapte ik op de fiets en reed simpelweg door het platteland in de Achterhoek. Af en toe stoppen, een praatje hier, een praatje daar. In de daaropvolgende gesprekken kwam steeds één thema terug: boerentrots.
Agrariërs vertelden met zichtbaar plezier en trots over hun bedrijf, hun producten en hun rol in de voedselketen. “In de stad denkt men vaak dat wij niet weten wat we doen,” zei een boer. “Maar wij werken met liefde in en met de natuur om voedsel te produceren.” Tegelijkertijd klonk er ook frustratie door. Veel boeren hebben het gevoel dat hun vakmanschap en inzet buiten het platteland nauwelijks worden gezien.
Binnen de eigen gemeenschap wordt die trots wel herkend, maar volgens veel agrariërs niet in de stad of in de nieuwbouwwijken van dorpen. “Ze maken regels, maar niemand weet hoe het hier echt werkt,” hoorde ik meerdere keren. Daarbij speelt ook een economisch spanningsveld. Boeren voelen zich enerzijds gestimuleerd door de overheid en banken om te groeien en te produceren voor een internationale markt, terwijl anderzijds strengere regels juist weer beperkingen opleggen.
Zoals een boer het samenvatte: “We zijn de hofleverancier van wat er dagelijks op tafel ligt. Maar ondertussen lijken wij de zwarte piet van het platteland te worden.”
Gezond boerenverstand
Van de 17e tot de 19e eeuw werd het leven op het platteland gezien als eenvoudig, maar realistisch. Boeren hadden vaak minder formele scholing dan stedelingen of geleerden, maar moesten dagelijks praktische problemen oplossen: weer, oogst, dieren, gereedschap, handel. Daardoor ontstond het idee dat zij een eerlijk en praktisch oordeel hadden dat niet werd vertroebeld door theorie of geleerde praat. Boerenverstand staat voor praktisch, nuchter en ervaringsgericht.
“Een boerderij is ook gewoon een bedrijf,” vertelde een agrariër. “Er komen hier allerlei mensen op het erf. Dat was vroeger ook zo.” Volgens meerdere boeren zijn er altijd wel eens rare snuiters op het erf geweest, maar dat betekent niet meteen dat het om criminelen gaat. Vroeger sprak men eerder over klaplopers: mensen die iets probeerden te halen of te regelen, maar niet per se onderdeel waren van georganiseerde criminaliteit, dus een netwerk van criminelen.
Tegelijkertijd erkennen boeren dat er kwetsbaarheden zijn. Sommige agrariërs werken geïsoleerd, anderen hebben te maken met eenzaamheid, financiële problemen of familieproblemen. “Boeren lossen problemen het liefst zelf op,” zei een van hen. “Dat zit een beetje in het DNA van de sector. Maar of dat altijd verstandig is, is een tweede. Er wordt altijd veel geroddeld.”
Een bijzondere sleutelplaats en -figuur tijdens mijn onderzoek is een kapper midden op het platteland. Vanuit het raam van zijn zaak kijkt de kapper uit over het open, eindeloze landschap van de Liemers, de streek tussen Arnhem, Doetinchem en de Duitse grens. Het gebied kent kleine dorpskernen, veel agrarische bedrijven en een landschap dat intensief wordt gebruikt voor landbouw. Het open karakter en de hechte lokale gemeenschappen geven het gebied een duidelijk landelijk karakter.
Sinds enkele jaren laat ik mijn haar knippen door deze Elvis-barbier. Het is een ouderwetse barbiershop met veel antiek en Elvis-spullen en muziek, zoals een echte Elvis-fan betaamt. Zijn klanten zijn mannen die wonen en/of werken op het platteland. Niet alleen jonge en oudere boeren, maar ook mensen die al generaties hier wonen. Het is een hechte gemeenschap en iedereen kent elkaar. De kapper spreekt ze allemaal, startend in de ochtend tot in de avond. Gemiddeld twaalf keer per jaar in de stoel.
Zoals de kapper al aangeeft: “Ik spreek mijn klanten meer dan mijn eigen familieleden. Wie ziet zijn familie twaalf keer per jaar en heeft een goed een-op-een gesprek?” Het is niet alleen knippen, het is ook ontspannen. Biertje, Playboy lezen, muziek erbij, lekker ouwehoeren of lachen, soms ook een traan. “Die vertrouwensrelatie met mijn klanten vind ik belangrijk en hier ga ik altijd discreet mee om. Dat is belangrijk, anders kan ik wel inpakken.”
Op mijn vraag hoe hij met dit vak is gestart, legt hij uit: “Ik was een jaar of veertien en mijn opa wilde niet meer geknipt worden door de Turk. Mijn oma had een tondeuse gehaald en ik werd eigenlijk gevraagd om hem te knippen. Dat was niet bepaald een succes, maar opa gaf me vertrouwen. Dus steeds opnieuw mocht ik hem knippen, langzaam kreeg ik het vak onder de knie. Meerdere familieleden volgden en vervolgens mensen uit de buurt. En zo heb ik door vertrouwen van mensen het kappersvak geleerd. Net zoals veel boeren leren uit ervaring in de praktijk. Van mijn opa kreeg ik de kans om mijn eigen zaak te starten, in een ruimte naast de schuur.”
Bij de kapper opperde ik het idee om eens navraag te doen bij boeren over de vraag naar het huren van schuren door criminelen. Immers, hij kent zijn klanten door en door, en heeft toegang tot de gemeenschap. “Ik had nog niet eerder in de stoel over criminaliteit gehoord. Natuurlijk was een diefstal van een Range Rover wel het gesprek in de buurt, maar verder eigenlijk niets. Ik spreek echt iedereen, mensen vertrouwen mij en ik heb goed doorgevraagd. Niemand in deze buurt is benaderd door criminelen. Het is ook lastig, ze horen direct of je van hier komt. Kom je niet van hier, dan ontstaat er natuurlijk argwaan. Overigens staan er talloze schuren in dit gebied, maar niemand heeft plek. Alle schuren worden gebruikt voor bedrijfsvoering of voor de carnavalswagens. Een klant zocht een ruimte voor de renovatie van zijn camper. Dat was een behoorlijke uitdaging, uiteindelijk heb ik via via iets kunnen regelen. Als wij elkaar al niet kunnen helpen aan schuurruimte, dan is er voor criminelen helemaal geen ruimte.”
Eén ding weet ik zeker: als ze het aan iemand zouden vertellen, dan is het deze kapper wel. Als er zaken spelen, dan krijgt hij dat direct te horen. Natuurlijk worden er wel diefstallen gepleegd. “Niemand doet aangifte, dat kost te veel tijd. Ik zie ook nooit politie of iemand van de gemeente, laat staan dat ik ze spreek.”
Tijdens mijn gesprekken met agrariërs en de Elvis-kapper viel mij op dat er in het gebied kwetsbare mensen wonen. Veel ouderen zijn nog behoorlijk actief, maar de vergrijzing is duidelijk zichtbaar. Zo sprak ik een boerin die slecht ter been was. Ik vroeg of zij wel eens hulp had gevraagd, bijvoorbeeld via de Wmo. Ook bij andere boeren op leeftijd kwam dit onderwerp ter sprake. Opvallend was dat men vaak niet goed weet dat ondersteuning via de gemeente mogelijk is. Een reactie die ik minstens twee keer letterlijk hoorde was: “Dat zal wel, maar ik los het zelf wel op.”
Of dit boerentrots is weet ik niet, maar de mate van eigenzinnigheid en zelfredzaamheid is hoog. Veel boeren zitten niet direct te wachten op advies of bemoeienis van de overheid. Mijn gesprekken leverden vooral inzichten op. Het is geen wetenschappelijk onderzoek, dat was de intentie ook niet, maar het geeft wel een beeld van wat er speelt in het gebied.
Wat ik regelmatig hoorde, is dat boeren bij wie het erf niet op orde is, vaak kwetsbaarder zijn. Soms komt dat door leeftijd, door familieproblemen of doordat er simpelweg onvoldoende geld is om onderhoud te plegen. In andere gevallen gaat het om bedrijven waar al generaties lang minder strak wordt gewerkt. De troep op het erf staat symbool voor gebrek aan een goede bedrijfsfocus. Dit type agrariërs is in de gemeenschap wel bekend. Men groet elkaar vriendelijk, maar houdt ook een zekere afstand. Mogelijk zijn dat juist de plekken waar de overheid meer zichtbaar zou kunnen zijn en die voor criminelen interessant kunnen zijn.
Daarnaast blijkt dat expliciete vormen van criminaliteit gemakkelijk worden herkend. Zo is diefstal concreet: men ziet dat er iets weg is en maakt vervolgens de keuze om dit wel of niet te melden of aangifte van diefstal te doen. Bij vragen over wat ondermijnende criminaliteit precies inhoudt, blijkt het voor veel mensen lastig om dit te duiden. Men weet vaak niet wanneer iets illegaal is in de zin van volgens de wet strafbaar of wanneer iets voldoende relevant is om te melden. Ondermijnende criminaliteit blijft voor mensen abstract en wordt niet tastbaar genoeg om daadwerkelijk melding van te maken.
Pracht en praal?
In Nederland bedraagt het totale landbouwareaal circa 1,8 miljoen hectare. Daarvan wordt ongeveer 25% tot 30% via pacht gebruikt. Dit is een constructie waarbij een boer landbouwgrond gebruikt die eigendom is van een ander, tegen betaling. Pachters hebben een ander verdienmodel dan een agrariër met eigen grond. Doordat een boer geen eigenaar is van de grond, is zijn financiële situatie kwetsbaarder. Dat vergroot het risico dat een boer bedrijfseconomisch sneller onder druk staat. Daarnaast zijn er grondleaseconstructies door investeerders of verzekeraars. Zulke modellen kunnen de afhankelijkheid van externe partijen versterken en daarmee de kwetsbaarheid van boeren vergroten. Onderzoek naar dergelijke constructies en risico’s in het kader van georganiseerde criminaliteit is nog niet gedaan.
De beschikbaarheid van schuren op het platteland in de Liemers blijkt beperkt. Daarbij speelt ook het type landbouw en de mate waarin een bedrijf nog actief is een rol. In sommige gebieden is wel ruimte, maar in veel gebieden simpelweg niet. Criminelen zullen in de praktijk dus hier ook regelmatig tegen gesloten schuurdeuren aanlopen. Mogelijk proberen zij hier schuren tegen grote bedragen te huren, maar dit blijkt niet uit de gesprekken die ik of de Elvis-kapper hebben gevoerd. Niemand is benaderd.
In het veldonderzoek ben ik gestart met het benaderen van aanspreekpunten en sociale knooppunten om van daaruit het veld in te gaan. Het effect was dat ik snel contact kreeg en in verbinding werd gebracht met mensen in de samenleving. Dat werkte zeer snel en effectief, waardoor ik met veel mensen inhoudelijk heb kunnen spreken. Gedurende het onderzoek trokken mensen zich ook terug. Na een kleine opening ging de deur weer op slot.
Op mijn vraag waarom dat gebeurde, werd één ding mij helder. Deze hechte boerengemeenschap is sterk op vertrouwen gebouwd, loslippigheid kan nadelig zijn. Dan heb ik het niet over intimidatie of criminaliteit, maar over de sociale rangorde in de gemeenschap. Een belangrijke eyeopener was dat mensen wel willen praten, maar in de gemeenschap ook sterk afstemmen wat ze zeggen, hoe ze het zeggen en vooral tegen wie. Grote boeren spelen daarbij een belangrijke rol; zij hebben in de onderstroom van de gemeenschap behoorlijk wat invloed.
Wat wel regelmatig in de gesprekken terugkomt, zijn eenvoudige vormen van diefstal. Denk aan landbouwgoederen, spullen uit schuren, schapen of vee uit de wei of producten uit kraampjes langs de weg. Soms nemen mensen zelfs het geld uit het potje mee. Dat is de dagelijkse realiteit van criminaliteit op het platteland, al eeuwenlang. Iets waar je in overheidscommunicatie weinig over leest.
Sommige boeren hebben wel eens bezoek gehad van de gemeente. Dan komt er een heel team langs op het erf. Boeren denken dan dat het om een controle gaat, maar uiteindelijk blijkt het vaak een gesprek te zijn over het verhuren van schuren. “Dan moet je eerst laten zien dat je helemaal geen schuur hebt die je kunt verhuren,” vertelde een boer. Vervolgens krijgen ze allerlei adviezen over veilig verhuren. Veel boeren reageren daar nuchter op: “Als je tegenwoordig een schuur verhuurt, heb je vaak al boter op je hoofd of zit je in de problemen. Anders begin je er niet aan, want je wilt geen ellende op je erf.”
Er zullen zeker boeren zijn die hier wel voor openstaan, maar volgens de agrariërs die ik gesproken heb, gaat het dan vaker om kwetsbare bedrijven: oudere boeren, stoppende boeren of bedrijven waar het economisch moeilijk gaat. Daarbij benadrukken boeren dat je de sector niet over één kam moet scheren. Melkveehouders, varkenshouders en gemengde bedrijven ervaren vaak meer druk. Akkerbouwbedrijven doen het, afhankelijk van hun afzetmarkt, regelmatig beter. Net als pluimveebedrijven. Startende boeren, bijvoorbeeld een geitenhouderij of biologische bedrijven, hebben het vaak lastiger. Uiteindelijk draait het volgens veel boeren om vakkennis, ondernemerschap en het netwerk waarbinnen producten worden afgezet.

Wat heeft dit onderzoek opgeleverd? Geen wetenschappelijke inzichten, maar wel praktische inzichten die gemeenten ter harte zouden moeten nemen. Of, zoals boeren het zelf noemen, gewoon boerenslimheid.
Vergrijzing en zelfredzaamheid
Op het platteland is sprake van vergrijzing en een sterke cultuur van zelfredzaamheid. Juist deze eigenwijze, maar soms kwetsbare doelgroep is lastig te bereiken. Hier ligt een rol voor gemeenten om met gericht beleid preventief te werken aan weerbaarheid.
Ga het gebied in
Stap op de fiets, ga het gebied in en zoek de sleutelplaatsen waar mensen elkaar ontmoeten. Daar ontstaat contact. Voor gemeenten betekent dit investeren in aanwezigheid, tijd nemen en vertrouwen opbouwen.
Sociale controle
Sociale controle en correctie vormen belangrijke mechanismen binnen de samenleving om normafwijkend gedrag te signaleren en te beïnvloeden. Naarmate de mate van sociale controle toeneemt, neemt de kans af dat criminele activiteiten zich duurzaam kunnen vestigen. Sociale controle uit zich onder meer in het herkennen van afwijkend gedrag in de directe leefomgeving. Sociale correctie betreft het onderling aanspreken van individuen op dit gedrag en draagt bij aan normbevestiging en gedragsbeïnvloeding. De effectiviteit en vorm van deze sociale correctie zijn sterk afhankelijk van heersende maatschappelijke waarden en normen, en bepalen daarmee in belangrijke mate hoe sociale controle zich in de praktijk manifesteert.
Wanorde op het erf zegt vaak iets over de situatie erachter
Zoals een boer het verwoordde: “Wanorde op het erf, is wanorde bij de boer.” Achter problemen op het bedrijf kunnen sociale kwesties schuilgaan, zoals familieproblemen, eenzaamheid, financiële zorgen, administratieve problemen of alcoholgebruik, met name bij oudere boeren.
Veel zorgactiviteiten
Naast de traditionele zorgboerderijen zijn er ook zorgbureaus op het platteland die opereren in combinatie met gemengde agrarische bedrijven. In hoeverre deze constructies risico’s of kwetsbaarheden met zich meebrengen heb ik niet onderzocht. Opvallend vond ik het wel.
Begrijp de sector
De landbouw is geen uniforme wereld. Verschillende sectoren kennen verschillende economische realiteiten en kwetsbaarheden. Bovendien blijft landbouw afhankelijk van de natuur: twee slechte jaren kunnen nog lang doorwerken in de financiële positie van een bedrijf.
Boeren zijn niet gesloten
In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, staan veel boeren wel degelijk open voor gesprek. Voorwaarde is dat je oprechte interesse toont en bereid bent te investeren in relaties. Dat opent deuren. Dus niet een eenmalige controle en gesprek, maar regelmatig terugkomen. Ga dus regelmatig in de kappersstoel zitten.
Onduidelijkheid over meldpunt
Uit gesprekken blijkt dat veel boeren beperkt zicht hebben op waar en hoe zij zaken kunnen melden. Bij acute problemen weet men de politie te vinden, maar meldmogelijkheden binnen het sociaal domein, zoals Wmo of gemeentelijke ondersteuning, zijn minder bekend. Voor het vergroten van weerbaarheid lijkt meer zichtbaarheid en toegankelijkheid van deze voorzieningen wenselijk.
Spanningsveld zelfredzaamheid en bemoeizucht
Boeren kenmerken zich door een sterke mate van zelfredzaamheid. Tegelijk ervaren sommige agrariërs dat de overheid zich te veel met hun bedrijfsvoering bemoeit. In de gesprekken kwam daardoor regelmatig het spanningsveld naar voren tussen bemoeizucht van de overheid en de eigengereidheid en zelfredzaamheid van boeren. Het kan daarom waardevol zijn om lokaal beter te kijken naar de maatschappelijke waarden en cultuur op het platteland, en te verkennen hoe de overheid hier op een passende manier bij kan aansluiten. Het is geen dertien in een dozijn.
Opkopers van landbouwmateriaal
In gesprekken met agrariërs kwam een opvallende groep erfbetreders naar voren: opkopers van landbouwmateriaal. Volgens boeren komen deze handelaren regelmatig langs op het erf en tonen zij zich vaak volhardend. Ze keren meerdere keren terug om te vragen naar machines, materialen of andere agrarische goederen. Hierdoor vallen zij voor veel boeren juist op als een terugkerende en herkenbare groep bezoekers op het erf.
Toezichtmodel buitengebied
In het buitengebied zijn veel professionals actief, zoals boswachters van Staatsbosbeheer, medewerkers van provincies en Natuurmonumenten, waterschappen, toezichthouders van landschapsverenigingen, visverenigingen, omgevingsdiensten, NVWA-inspecteurs en gemeentelijke toezichthouders. Het is wenselijk dat gemeenten een toezichtmodel voor het buitengebied ontwikkelen met een duidelijke informatiestructuur vanuit gemeenschappelijk perspectief. Daarmee kan informatie over wat er speelt in het buitengebied beter worden verzameld, gedeeld en gebruikt om gericht te sturen.
Door informatie uit het veld systematisch te bundelen, kunnen afwijkende patronen sneller worden herkend. In de praktijk blijkt dat professionals vaak waardevolle kennis hebben, maar wordt deze nog onvoldoende structureel vastgelegd en gedeeld.
En misschien wel de belangrijkste persoonlijke conclusie: als jongen uit de stad heb ik tijdens dit onderzoek alleen maar meer respect en waardering gekregen voor de Nederlandse boer.
Deze inzichten in dit artikel zijn gebaseerd op veldgesprekken en observaties in het buitengebied in de Liemers. Ze zijn niet statistisch representatief, maar bieden praktijkkennis over hoe agrariërs zelf kijken naar kwetsbaarheid, vertrouwen en contact met de overheid.
Weetje
Wist je dat wereldwijd meer dan 45% van de bevolking op het platteland woont? Toch is er relatief minder wetenschappelijke aandacht voor het platteland. Dit komt onder meer door de hoge mate van zelfredzaamheid van bewoners en doordat vormen van criminaliteit daar vaak minder worden ervaren dan in stedelijke gebieden. Opvallend: boeren sturen in de praktijk wel erfbetreders die ze niet vertrouwen van het erf af. Dit wordt niet doorgemeld, dus andere boeren wordt niet vanuit het eigen netwerk geïnformeerd. Idee om dit actief mee nemen in bijvoorbeeld gemeentelijke meldstrategie?
Bron: World Bank, Rural population
